Verhaal achter de platenhoes: Tin Drum (1981) – JAPAN

“Waar zit ik nu naar te kijken? Hier klopt toch iets niet? Een LP van de band Japan met een foto van Mao-Zedong, de stichter en leider van communistisch China tot in de jaren zeventig. Maar Japan en China waren toch aartsvijanden? En dan die man die rijst zit te eten. Dat is zanger David Sylvian. Zijn haar platinablond geverfd, terwijl Chinezen toch zwart haar hebben? Het boekje op tafel suggereert het rode boekje van Mao te zijn, waarin staat beschreven hoe je als een goed communist moet leven. Maar als je goed kijkt, kan het ook een blanco dagboek zijn, waarin je je eigen verhaal kunt schrijven hoe je je leven wil leven…
 
Ik heb het hier over de hoes van de LP ‘Tin Drum’ van de Britse popgroep Japan met zanger en frontman David Sylvian. De naam Japan is toevallig gekozen: de band vond een vakantiebrochure over Japan in een dubbeldekker en vond Japan lekker klinken. De band was een buitenbeentje in de Britse popmuziek eind jaren zeventig. De eerste twee LP’s flopten in thuisland Engeland, misschien omdat de muziek niet te plaatsen was: geen punk, maar ook geen glamrock. Op de muzikaliteit en de presentatie van de mannen was ook wel wat aan te merken. ‘Leer eerst maar eens op een gewone basgitaar spelen’, werd er tegen bassist Mick Karn gezegd, die de meest vreemde geluiden uit zijn fretloze basgitaar haalde. ‘Misschien moet je een synthesizer aanschaffen, dan klinkt het allemaal wat minder vals’, kreeg toetsenist Richard Barbieri vaak als advies. Hij sloeg regelmatig de verkeerde noten aan op zijn elektrische piano. ‘En haal dat blonde haar eens uit je ogen’, kreeg David Sylvian te horen. ‘En make-up, hoort niet bij het rauwe geluid dat jullie produceren’.
 
In de beginjaren kwam Japan niet veel verder dan support-act van grote punk namen. Dan vlogen de flessen bier Sylvian om de oren, omdat het publiek niet van zijn verwijfde uitstraling gediend was. Manager Simon Napier-Bell hield zijn geloof in de band en de muziek, maar zag wel in dat er een truc bedacht moest worden om het publiek aan Japan te krijgen. Hij bedacht, samen met Sylvian, het plan om de debuut-LP in Japan uit te brengen, maar dan pas na twee maanden met vooraankondigingen op grote posters, met een hoofdrol voor het mooie gezicht van Sylvian. Het vuur opstoken, heet dat. Het werkte. De meisjes in Japan waren al verliefd op Sylvian voordat ze een noot van de muziek hadden gehoord. Het was wel even slikken toen de plaat daadwerkelijk uitkwam, maar de hype bleef. Japan speelde ineens in grote zalen in Japan voor 10.000 gillende fans.
 
Zo’n verhaal past helemaal in het leven van David Sylvian. Als hij bijna aan de afgrond staat, bedenkt hij een briljant plan. Als hij denkt dat hij ergens zeker van is, sluipt gelijk de twijfel in zijn gedachte. Mooi bezongen in het nummer ‘Ghosts’ van deze LP. Hij bewonderde de Franse kunstenaar Jean Cocteau. Cocteau maakte surrealistische films in de jaren ’20, en schreef boeken en gedichten met een surrealistisch thema. Vergelijk zijn werk maar met de schilderijen van Salvador Dali, de bekendste surrealistisch kunstenaar. Een surrealist voelt dat het werkelijke leven wordt bepaald door het onbewuste; het gewone leven is eigenlijk niet realistisch. In de woorden van Cocteau: als je goed kijkt zit er op ieder mens een aap op de linkerschouder en op de rechterschouder een papegaai. Daarmee zijn we terug bij de foto van de hoes van Tin Drum. In eerste instantie lijkt het een gewone foto, maar als je goed kijkt, is het een surrealistisch beeld. Er klopt niets van de ogenschijnlijke werkelijkheid.
 
David Sylvian kreeg door het succes in Azië ook interesse in de Aziatische geschiedenis. In verschillende teksten op deze LP zingt hij daarover. ‘Visions of China’ gaat daar bijvoorbeeld over. Het nummer is geschreven vanuit het perspectief van een jonge soldaat in het Chinese Rode Leger en gaat over zijn naïviteit en onschuld. Met deze LP brak Japan ook in Engeland en continentaal Europa door. De LP werd als een van de beste LP’s van 1981 beschouwd. Het was tevens de laatste LP van Japan. David Sylvain pikte de Japanse vriendin, Yuka Fujii van bassist Mick Karn af. Dat was het einde van het verhaal van Japan. David Sylvian maakte daarna een geweldige solocarrière. De hoezen van zijn LP’s werden ontworpen door, jawel, Yuka Fujii; ze komen hopelijk nog terug in mijn column. Sylvian voelt een beetje als een broer voor mij. Wij zijn ongeveer op dezelfde dag geboren. Wie weet zit er diep in het onbewuste wel een lijntje. Of zit er nu een aap op mijn schouder?”
 
Door Gerrit-Jan Vrielink