Het verhaal achter de platenhoes: Third (1970) – Soft Machine

“Lange progressieve rocknummers met uitgebreide solo’s, met name op een Hammondorgel met veel fuzz, zeer veel fuzz. Het openingsnummer van deze Lp begint met het geluid alsof er een kat wordt gelyncht. Dat is de typische Canterbury Sound die in de jaren zeventig hoogtij vierde met bands als Soft Machine, Caravan, Camel en Hatfield and the North. Allemaal bandleden die uit de buurt van de Canterbury kwamen, een stad in het zuidoosten van Engeland. Nog steeds ben ik een trouwe aanhanger van deze cult-muziek.

Deze LP van Soft Machine, ‘Third’, heb ik grijs gedraaid. Het schaduw lettertype gebruik ik ook nu nog als ik me in een vergadering verveel. De bandleden zitten er niet al te vrolijk bij als je de binnenhoes openklapt. Het lijkt wel of ze net ruzie hebben gehad. Dat klopt ook wel want op dat moment was er een gigantische strijd gaande tussen zanger en drummer Robert Wyatt en de overige bandleden. Zij wilden meer de jazzkant op en af van het fuzz-orgelgeluid en zeker ook af van de experimentele zangpartijen van Robert Wyatt.
Ik kan me daar iets bij voorstellen. Wyatt wilde zijn zang graag als een soort van trompetimprovisaties laten klinken. Dat klinkt niet bepaald als fluweel in de oren. ‘Hou op, hou op’, denk je in eerste instantie. Maar als je er langer naar luistert, heeft zijn stem iets hypnotiserends. Robert Wyatt was geen gemakkelijk bandlid om mee samen te werken. Hij was zwaar aan de alcohol en zeer eigenzinnig. Met deze combinatie maak je geen vrienden. Toch was zijn muzikaliteit en zijn drumtechniek geniaal.

Het dilemma loste zich vanzelf op. Robert Wyatt viel in 1973 uit een raam van een tweede etage en kreeg een dwarslaesie. Voor zijn verdere leven was hij gekluisterd aan een rolstoel en kon het drummen wel vergeten. Met behulp van vrienden, onder andere Nick Mason, de drummer van Pink Floyd, kon hij zijn carrière voortzetten. Hij leerde keyboard spelen en maakte een aantal prachtig soloplaten met ‘Rock the Bottom’ als hoogtepunt. Zijn zangpartijen moet je dan wel even voor lief nemen.
Robert Wyatt leeft nog steeds en heeft inmiddels de status als cultheld onder de aanhangers van de Canterbury Scene. Soft Machine treedt ook nog steeds op en is qua samenstelling van groepsladen vele malen gewisseld. Robert Wyatt werd opgevolgd door drummer John Marshall. Hij is bijna 80 jaar en een graag geziene gast in de Boerderij.

Een paar jaar gelden was ik nog in Canterbury. Ik dacht dat ik in het walhalla van de zeldzame Canterbury Lp’s zou terecht komen. Helaas. Na lang zoeken, kwam ik bij een platenzaak die slechts een kleine bak met Lp’s van de Canterbury Scene had. De eigenaar keek me raar aan toen ik naar meer vroeg. ‘Niet om aan te horen’ zei hij, ‘dat is al lang verleden tijd. Niemand die daar in Canterbury nog om geeft’. Uiteindelijk herinnerde hij zich dat de drummer van Caravan, Richard Coughlan, een kroeg in Canterbury had. Maar die was een paar maanden eerder overleden, wist ik. En ja hoor, de kroeg was gesloten met een bordje ‘For Sale’ erop. Het begon te regenen. Ik slenterde terug naar het hotel. Robert Wyatt begon langzaam met zijn trompetstem ‘Hope for Happiness’ (van de eerste Soft Machine LP) in mijn achterhoofd te tetteren.”

Door Gerrit-Jan Vrielink