Verhaal achter de platenhoes – Dare (1981) – Human League

J. zat te genieten van de ochtendzon, kopje koffie erbij. Plotseling bleef zijn hart stilstaan. J., de extraverte studiegenoot uit de jaren tachtig. Hij zocht altijd de grens op, met grappen, met felle discussies, met flirten. Maar hij was vooral innemend. Menig man en vrouw viel voor hem. Hij hield van beiden. Nu is hij dood. Reanimatie mocht niet baten. 65 jaar is hij geworden.

J. is voor mij altijd gekoppeld aan de lp ‘Dare’ van The Human League, uit 1981 en met de mega-hit ‘Don’t you want me’. Op de studentenfeestjes hebben we vaak op de dansvloer gestaan met dit nummer. J. in het middelpunt van de belangstelling. Ik in de schaduw.

Ik weet niet of het daardoor is gekomen, maar ik heb het niet zo op de synth-pop uit de jaren tachtig. Er kwam geen gitaar meer aan te pas. Het ging vooral om populaire deuntjes op een synthesizer, met een drumcomputer op de achtergrond. Het was een bewuste keuze van de frontman van The Human League, Phil Oakey. Hij knikkerde de muzikanten Martyn Ware en Ian Craig-Marsh uit de band. Die gingen verder als Heaven 17, dat nog regelmatig in de Boerderij optreedt (30 maart 2022 weer!).

Oakey haalde twee platen in huis. Eén van Kraftwerk en één van Donna Summer. De overige bandleden kregen de keuze. Oakey had zelf al beslist. Hij ging voor de populaire mainstreammuziek van Donna Summer. Wie voor deze plaat koos, mocht in de band blijven.

De hoezen van The Human League werden ook wezenlijk anders. Was de hoes van de vorige lp ‘Reproduction’ nog provocerend, met ouders die op een foto van baby’s dansen, voor ‘Dare’ koos Oakey voor een imitatie van het glamourblad Vogue. Op de oorspronkelijke persing uit Engeland staat Phil Oakey zelf op de voorkant; de overige bandleden staan in dezelfde stijl op de binnenhoes en de achterkant. Op de persingen voor het Europese vasteland kwamen alle vier de bandleden op de voorkant te staan.

De hoes kreeg een dubbele coating om het wit wit te houden. Andere bands zijn de mist ingegaan met witte hoezen. Neem Genesis met ‘Duke’ en ‘Three Side Live’. De hoezen werden door de jaren heen viezer en viezer, tot ze ronduit goor waren. Het is een kunst op zichzelf om een gaaf wit exemplaar van deze hoezen op de kop te tikken.

‘Don’t you want me, baby?’. Hoe vaak heeft J. het gevraagd met zijn flirtstrategie? Twintig, dertig keer? Uiteindelijk koos J. voor man E. Het werd de liefde van zijn leven. Ze waren echt een gelukkig stel. Ze straalden van geluk, ook na dertig jaar wanneer ‘Don’t you want me’ weer eens op een feestje werd gedraaid. Dan doken ze de dansvloer op en keek iedereen bewonderend naar hen. Ook ik. Mijn lichte jaloezie was inmiddels weggeëbd; ook ik had mijn grote liefde gevonden.
Maar met The Human League en mij is het niet veel geworden. De plaat staat wel in mijn kast, maar ze roept nog steeds de smaak van de jaren tachtig op, inclusief mijn gestuntel op de dansvloer. In vergelijking met de swingende heupen van J. natuurlijk.

Ik vond dat asymmetrische haar van Oakey – lang aan de ene kant, kort aan de andere kant – trouwens wel fantastisch. Mooi opgemaakt en geflankeerd door twee sexy zangeressen. Een man om bi van te worden. Ik heb het nog geprobeerd met zo’n soort kapsel, maar met mijn peper en zout haar werd het niet veel.

J. is niet meer. Het studentenleven is allang voorbij. De plaat ‘Dare’ blijft bestaan. In smetteloos wit.
J. heeft alles uit het leven gehaald wat eruit te halen viel. ‘Dare’ stond op zijn lijf geschreven.

Gerrit-Jan Vrielink