Het verhaal achter de platenhoes: Aqualung (1971) Jethro Tull

“Aqualung, de zwerver met de rochelende longen. Een vieze oude man die in een parkje stiekem naar pubermeisjes kijkt en daar hitsig van wordt. Zie hem staan op het schilderij van kunstenaar Burton Silverman. De omgeving is een beetje wazig getekend, maar de blik van Aqualung is scherp weergegeven en op iets gericht. Je kunt bijna zijn vunzige gedachten lezen. Het tafereel doet me denken aan ‘De Vieze Man’ van Kees van Kooten. Hij ruikt aan dameszadels, raapt sigarettenpeuken van de straat op en probeert ze op te roken. Hij stinkt naar urine, omdat hij bij het plassen de boel maar een beetje laat lopen en de straal over zijn broek en handen komt.

Zanger en dwarsfluitist Ian Anderson beschrijft Aqualung in het eerste nummer. Aan de ene kant voel je weerzin; zwervers stinken en zijn een beetje eng, het zijn de types die je het liefst wilt vermijden. Anderzijds roepen ze medelijden op, want het is triest als je in de goot belandt, een eenzaam en ellendig bestaan. Je gunt ze een dak boven het hoofd. Ian Anderson geeft deze tegenstrijdige gevoelens treffend weer op deze LP. Hij kwam op het idee toen hij foto’s van zijn toenmalige vrouw Jenny Franks zag. Zij was fotografe en bezig met een fotoproject over daklozen in Londen. Samen bedachten ze de teksten over Aqualung. Harde maatschappijkritiek, over mensen die van God los zijn en over politieke en kerkelijke instanties die de mensen aan de rand van de samenleving aan hun lot overlaten. De all time loser wordt uitgeknepen door de all time winner (uit ‘Locomotive Breath’)

Het tegenstrijdige is dat Ian Anderson steenrijk is geworden van zijn muziek en dan specifiek van deze LP. ‘Aqualung’ was de doorbraak voor Jethro Tull. Daarvoor leidde de band een moeizaam bestaan. Aan het begin van hun carrière verdienden de leden nauwelijks geld. Ze waren nog niet net dakloos maar veel scheelde het niet. Ze wisselden regelmatig van bandnaam om zo vaker in dezelfde club te kunnen optreden. Daar kwam een eigenaar pas achter als dezelfde jongens weer voor zijn neus stonden. Dit ging zo door totdat de Marquee Club in Soho in Londen hun manager vroeg of Jethro Tull nog een keer kon optreden. Ze hadden net deze naam bedacht toen ze de eerste keer in de Marquee optraden. Het was een willekeurige naam uit een krantenartikeltje over een boer uit de 19de eeuw die een zaaimachine had uitgevonden. Vanaf dat moment ging het snel met Jethro Tull. Maar voor hetzelfde geld waren ze niet teruggevraagd en waren ze in de goot belandt, naast Aqualung.

Ian Anderson woont nu op een 18eeuws landgoed en heeft vijf personeelsleden in dienst voor het onderhoud van het landgoed. Of hij nog wel eens aan zijn zwervers denkt, bijvoorbeeld met een ruime gift aan het Leger der Heils, weet niemand. Wel dat hij zich inzet voor de bescherming van wilde katten. Maar laat ik niet te cynisch doen over Ian Anderson. Ben ik zelf veel beter? Vijftig jaar na het uitbrengen van Aqualung lopen met name de grote steden nog steeds zwervers rond. Er zijn wel vangnetten en opvangtehuizen, maar een aanzienlijk deel van de maatschappij vindt het vooral eigen-schuld-dikke-bult. Ik kom zelf niet veel verder dan af en toe een straatkrant van een dakloze kopen. En ik draai Progrock LP’s zoals Aqualung die me eraan herinneren dat de maatschappij niet voor iedereen aangenaam is. Dat doet Ian Anderson nog steeds: mij aan het denken zetten. En het blijft prachtige muziek. Volgend jaar komt Jetro Tull-gitarist Martin Barre naar De Boerderij; ik verheug me nu al op zijn gitaarriffs.”

Door Gerrit-Jan Vrielink